Er was eens een tijd dat “spreiding van inkomen” nog een leidend motto was voor de leidende politieke partij onder leiding van Joop den Uyl. Er was eens een tijd waarin de vakbeweging zei: “Geen procenten, maar centen!” Het lijken lang vervlogen tijden.
De gelijkwaardigheid van alle mensen wordt al lang niet meer door iedereen erkend. Van solidariteit weten velen niet eens wat het betekent. Het is meer en meer als onder de varkens van Orwell: “Iedereen is gelijk, alleen de een is iets meer gelijk dan de ander” en voor de rest is het graaien wat je graaien kan.
Al bijna twintig jaar kennen we – sinds het akkoord van Wassenaar – in ons land het roemruchte Poldermodel: werkgevers en werknemers overleggen over de economie en de gewenste jaarlijkse loonstijging. Jaar na jaar is “loonmatiging” de niet verrassende uitkomst van dat overleg. De gemiddelde loonstijging in ons land blijft daarom al jaren achter bij de ontwikkeling in de meeste andere Europese landen.
1,5 procent, 2 procent, maximaal 3 procent is het resultaat… voor de werknemers, wel te verstaan. De bazen geven zich elk jaar 8 tot 10 procent extra, het drievoudige, zeg maar. De postbode van KPN is misschien goed voor 50.000 gulden bruto per jaar, baas Dik van KPN krijgt 1,3 miljoen. En de verschillen groeien en groeien: de postbode krijgt er 1500 gulden bij, mijnheer Dik 140.000 gulden. De opties, aandelen, etc. laten we dan nog buiten beschouwing. De vakbonden zeggen nu: “Wat zij kunnen, kunnen wij ook.” Er komen forse looneisen. Een goede zaak, want op dit moment is een strijd voor loonsverhoging tevens een strijd voor meer beschaving.
Deze column verscheen augustus 1999 in de Tribune
Reacties uitgeschakeld